Tweede Kamer neemt wetsvoorstel rechtsvermoeden uurtarief aan

Het wetsvoorstel dat het rechtsvermoeden invoert op basis van een uurtarief is op 21 april aangenomen door de Tweede Kamer.
De Tweede Kamer heeft op 21 april ingestemd met de wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.
De invoering van het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan 38 euro per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) eenvoudiger om hun rechtspositie op te eisen bij de werkgevende en zo nodig bij de rechter.
Als de zzp’er een beroep doet op het rechtsvermoeden, moet de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kunnen ze dat niet, dan is sprake van schijnzelfstandigheid en heeft een zzp’er ook recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Indexatie uurtarief aan hand van cao-loonontwikkeling
De Tweede Kamer heeft het volgende amendement aangenomen:
“Dit amendement regelt dat de indexatie van het uurtarief op basis waarvan een rechtsvermoeden kan worden ingesteld, gebeurt aan de hand van de cao-loonontwikkeling in plaats van de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. (…)
Indien de wetgever bij een beleidsmatige aanpassing van het wettelijk minimumloon ook bewust het uurtarief wil aanpassen op basis waarvan een rechtsvermoeden kan worden ingesteld, omdat de beweegredenen toch overlappen, dan is dit alsnog eenvoudig te ondervangen door in de benodigde wetsaanpassing ook dit uurtarief direct aan te passen.”
Schijnzelfstandigheid bij Dienst Toeslagen
De motie ten aanzien van schijnzelfstandigen bij Dienst Toeslagen is aangenomen:
“overwegende dat de Dienst Toeslagen bewust potentieel schijnzelfstandigen heeft ingezet
om de voortgang en afhandeling van de hersteloperatie toeslagenschandaal niet te belemmeren;
constaterende dat eerder is toegezegd dat naheffingen en boetes bij schijnzelfstandigen
worden vergoed door de Dienst Toeslagen, maar dat deze belofte wordt doorbroken aangezien mensen hier nu toch zelf voor moeten opdraaien;
verzoekt de regering om de gedane beloftes na te komen en de naheffingen te vergoeden
die volgen uit de handhaving voor deze groep zzp’ers, inclusief eventuele boetes die
betrekking hebben op de werknemerspremie”.
Zelfstandigenwet
De volgende motie over de Zelfstandigenwet is overgenomen:
“constaterende dat de Zelfstandigenwet over de kwalificatie van de arbeidsrelatie gevolgen kan hebben voor zowel zelfstandigen als werknemers;
overwegende dat duidelijkheid en rechtszekerheid voor zelfstandigen en werknemers
van groot belang zijn;
verzoekt de regering om de bescherming van werknemers op geen enkele manier aan te
tasten met de Zelfstandigenwet”.
Behandeling in Eerste Kamer
Nu de Tweede Kamer akkoord is met het wetsvoorstel volgt de behandeling in de Eerste Kamer. De Eerste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bespreekt op 12 mei 2026 de procedure.
Minister Aartsen van SZW heeft op 23 april 2026 een brief naar de Eerste Kamer gestuurd waarin het volgende staat:
“Publicatie van het zogenoemde ‘verduidelijkingsdeel’ van het oorspronkelijke wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) is als mijlpaal opgenomen in het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP). Het kabinet heeft het wetsvoorstel bij nota van wijziging gewijzigd, waardoor het enkel nog het rechtsvermoeden bevat. Het kabinet is daarnaast in overleg getreden met de Europese Commissie over de wijziging van de mijlpaal.(…) In overleg met de Commissie kan de mijlpaal met betrekking tot het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar worden vervangen door de Wet rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. Voorwaarde hierbij is dat dit wetsvoorstel uiterlijk op 31 augustus 2026 (tot wet verheven en) in het Staatsblad gepubliceerd moet zijn en uiterlijk 31 december 2026 in werking dient te treden.”
Om die datum te halen, is het volgens Aartsen van belang dat de Eerste Kamer de behandeling van dit wetsvoorstel vóór het zomerreces 2026 afrondt.
Het niet halen van de mijlpalen uit het HVP kan leiden tot kortingen op de HVP-gelden die kunnen oplopen tot ruim € 600 miljoen per mijlpaal.
De minister verzoekt de Eerste Kamer dan ook te kijken naar de mogelijkheden om het wetsvoorstel snel te behandelen.
Bron: Salaris Vanmorgen