Hoe wikkel je de oudedagsverplichting in de bv slim af?

Sinds de uitfasering van het pensioen in eigen beheer zijn er door omzetting tussen 2017 en 2019 tal van oudedagsverplichtingen (ODV’s) ontstaan in de eigen bv. Steeds meer van die ODV’s gaan bij het bereiken van de AOW-leeftijd van de DGA/ex-pensioengerechtigde de uitkeringsfase in. Maar wat kun je hier nog mee?
Een ODV mag beginnen met uitkeren vanaf 5 jaar voor het jaar waarin de gerechtigde AOW krijgt en moet uiterlijk 2 maanden later ingaan dan de AOW is ingegaan. De uitkeringsduur is 20 jaar, te verhogen met het aantal jaren (maximaal 5) dat de uitkering eerder is ingegaan dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd is bereikt. De ODV-uitkering wordt jaarlijks bepaald door het ODV-saldo na elk uitkeringsjaar te delen door de resterende uitkeringstermijnen, nadat de wettelijke oprenting is toegepast. Voor 2026 is het oprentingspercentage 2,593% en voor 2025 2,602%. Zijn de uitkeringen later ingegaan dan 1 januari van enig jaar?
Dan vindt oprenting per uitkeringsverjaardag altijd plaats met het gewogen gemiddelde van twee oprentingspercentages, omdat in een uitkeringsjaar twee kalenderjaren zitten.
ODV is obstakel geworden
Er zal een tijd komen dat de bv waarin de ODV is ondergebracht inactief is. De vraag die dan opkomt is of die ODV er niet uit kan, om de bv daarna te mogen opheffen. Een eerste, logisch moment daarvoor is het moment waarop de uitkeringen ingaan en de bv loonheffing moet inhouden als loon uit vroegere dienstbetrekking. Het is raadzaam om met de DGA in kwestie vooraf te bespreken of de bv die uitkeringsfase voor haar rekening gaat nemen, of dat de ODV-voorziening beter kan worden afgestort bij een lijfrenteverzekeraar of bancaire lijfrente-instelling.
Waarom lijfrente?
De lijfrente moet voldoen aan het fiscale lijfrenteregime en dat heeft voordelen. Vanaf het kalenderjaar waarin de gerechtigde AOW krijgt, kan een tijdelijke oudedagslijfrente worden aangekocht met een duur van ten minste 5 jaar. Fiscaal is in 2026 een uitkering van maximaal € 27.192 mogelijk, waarbij eventuele al lopende tijdelijke oudedagslijfrenten meetellen voor dit maximumbedrag. Is de ODV-verplichting te hoog om dat ‘kwijt te kunnen’ in een tijdelijke oudedagslijfrente? Dan kan daarnaast tot een basis lijfrentevoorziening worden besloten voor de duur van 20 jaar dan wel levenslang (bij een levensverzekeraar). Je creëert dan een hoog: laag-uitkeringspatroon. Een lijfrente mag ook 5 jaar later beginnen met uitkeren dan een ODV, als er nog niet direct pensioeninkomen nodig is na ingang van de AOW. Voor de liefhebbers zijn er inmiddels beleggingsinstellingen die in de uitkeringsfase een beleggingslijfrente aanbieden. Dat wordt dan een variabele uitkering naargelang de resultaten van de onderliggende beleggingen en het gekozen beleggersprofiel.
De belangrijkste reden om niet af te storten zal in de praktijk zijn dat er geen liquide middelen zijn om de gehele ODV-verplichting over te dragen. Tot het ingaan van de uitkering is het overigens fiscaal toegestaan om een gedeelte van de ODV om te zetten in een lijfrente. Daarna niet meer. Dat is ook nog een optie als het financieel niet lukt. De bv moet dan voor de achtergebleven resterende ODV-verplichting het wettelijke stramien volgen.
Ingegane ODV afstorten mag ook
Afstorten van een al ingegane ODV voor het verkrijgen van een lijfrente is inmiddels ook wettelijk toegestaan. Je hebt dan wél vooraf een goedkeuring nodig van de Belastingdienst (art. 38p lid 5 Wet LB). Dat geldt zowel voor de situatie dat de volledige ODV kan worden afgestort als voor de situatie waarin dat slechts voor een gedeelte kan, wegens financiële onderdekking.
Wanneer is een dekkingstekort een probleem?
De onderdekking kan verschillende oorzaken hebben. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de middelen die ter dekking van de ODV moeten worden aangehouden al zijn ‘aangevreten’ door de DGA, tevens ODV-gerechtigde.
Opgelopen rekening-courantschulden of hypothecaire leningen zonder aflossingen zijn een boosdoener, maar ook dividenduitkeringen en terugbetalingen van aandelenkapitaal kunnen een onzakelijk karakter hebben, als daarmee de ODV niet (meer) financieel gedekt is. Als er daardoor niet genoeg middelen zijn om de ODV te kunnen afstorten, dan zul je ook geen goedkeuring krijgen van de Belastingdienst om de ODV eerst te mogen afstempelen tot het bedrag van de nog aanwezige middelen, om daarna voor het lagere bedrag een lijfrentekoopsom te mogen storten. Eigenlijk wil je alleen een verzoek doen als er geen rekening-courantschuld meer is aan de bv.
Fiscaal risico
Als het risico wordt genomen om zonder vooroverleg een zelf afgestempelde ODV-voorziening af te storten terwijl er (vooral) onzakelijk handelen aan het middelentekort ten grondslag ligt, dan ontstaat er een fiscaal verboden handeling. De gehele waarde van de ODV-verplichting zal belast kunnen worden voor de heffing van loonbelasting en er is dan 20% revisierente verschuldigd. Daarbij komt dat vrijwel elke bank of verzekeraar die ODV-afstortingen als herkomst accepteert (en dat zijn er maar een paar), zal vragen om de goedkeuring van de Belastingdienst. Is deze bevestiging er niet, dan kun je sowieso niet afstorten.
Afzien van ODV bij reële onderdekking
In de uitvoeringspraktijk wordt toegestaan dat prijsgeven zonder fiscale gevolgen kan plaatsvinden, mits je aan de volgende voorwaarden voldoet:
- De onderdekking is het gevolg van gewone ondernemingshandelingen en niet veroorzaakt door andere factoren zoals bijvoorbeeld dividenduitkeringen van het eigenbeheerlichaam in de afgelopen jaren of (oninbare) vorderingen op de DGA of aan hem verwante personen.
- Alle aanwezige bezittingen van het eigenbeheerlichaam worden aangewend voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct.
- Het eigenbeheerlichaam wordt direct na aanwending van de aanwezige bezittingen voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct geliquideerd.
In het verzoek aan de Belastingdienst zul je moeten uitleggen hoe het tekort aan middelen is ontstaan en waarom er linksom of rechtsom geen extra middelen kunnen worden vrijgemaakt of verworven. Je wilt immers een beroep doen op een fiscale gunst. Het prijsgeven van de resterende ODV wordt dan niet aangemerkt als een informele kapitaalstorting, en leidt niet tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang. Als je voldoet aan deze voorwaarden kan op het liquidatiemoment van het eigenbeheerlichaam het resterende deel van de ODV worden aangemerkt als niet voor verwezenlijking vatbaar in de zin van artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB (tekst 2016). Op grond van artikel 38p, vierde lid, Wet LB is voornoemd artikel 19b ook van toepassing op een ODV. Het prijsgeven van het resterende deel van de ODV leidt dan niet tot heffing van loon- en inkomstenbelasting.
Lange adem
Als het dekkingstekort niet alleen door reële ondernemings- en beleggingsverliezen is veroorzaakt, dan rest eigenlijk niets anders dan door te gaan met uitkeren. Pas wanneer de rekening-courantverhouding is opgeschoond of als er anderszins aanvullende middelen beschikbaar komen in de bv, kun je het afstortingstraject inslaan met goedkeuring vooraf. Daarom is het in de tussentijd een goed advies om de netto-uitkering zoveel mogelijk te verrekenen met de openstaande vorderingen. Afstorten kan eventueel ook nog na ‘AOW + 5 jaar’, ook al is de uiterste fiscale ingangsleeftijd van een lijfrente dan verstreken. Het zal alleen lastiger worden om op seniore leeftijd nog een uitvoerder te vinden die een lijfrente wil afsluiten.
Tot slot
Hiervoor is een aantal aspecten aan de orde gekomen waar de mkb-praktijk rekening mee moet houden als men iets anders wil dan de ODV laten uitkeren door de bv. Belangrijkste conclusie is dat het op de pof leven van ODV-beclaimd geld vroeger of later consequenties gaat hebben en een fiscaal vriendelijke afwikkeling van de ODV in de weg zal staan. Dit helpt ook niet bij de wens om af te willen storten in een lijfrente, en de bv op termijn op te heffen.
Drs. Theo H.M. Willemssen is pensioenfiscalist bij Fiscount. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.
Bron: Accountancy Vanmorgen